Ha die Simon,



jaja, het is dus gelukt!!!!

Morgenavond hebben we weer catechese bij ons thuis.

Het zal dan gaan over Vriendschap.

Hieronder zie je de hele tekst incl. de vragen.

Heb je opmerkingen of antwoorden of suggesties voor de groep dan lees ik dat graag van je.



Een hartelijke groet van ons allen!





VRIENDSCHAP



Lucas 11: 5 - 10

5 Daarna zei hij tegen hen: ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Wil je mij drie broden lenen, 6 want een vriend van me is na een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” 7 En veronderstel nu eens dat die vriend dan zegt: “Val me niet lastig! De deur is al gesloten en mijn kinderen en ik zijn al naar bed. Ik kan niet opstaan om je te geven wat je vraagt.” 8 Ik zeg jullie, als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat ze vrienden zijn, dan zal hij wel opstaan omdat zijn vriend zo onbeschaamd blijft aandringen, en hem alles geven wat hij nodig heeft. 9 Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan.



Misschien kennen jullie het volgende verhaal.

Er was eens een man in een put gevallen. Die put was zo diep dat hij er zelf niet uit kon komen. Toen hij mensen in de buurt hoorde riep hij heel hard dat hij eruit wilde. De eerste die naar de put ging was Boeddha. Toen hij begreep dat de man eruit wilde, maar zelf geen mogelijkheid zag om daar iets aan te doen, zei hij tegen de man in de put: houd moed en ga zitten mediteren. Als je genoeg gemediteerd hebt, heb je zoveel geestkracht dat je daarmee zelf uit de put kunt komen. Toen liep hij verder.

De volgende die langs kwam was Mohammed. Hij hoorde de man ook en ging kijken wat er aan de hand was. Toen hij de situatie door had zei hij tegen de man in de put: je hebt je zeker niet aan de wet gehouden. Houd moed, bid tot Allah, houd je in het vervolg aan zijn wetten, vraag om vergeving en of hij je wil helpen. Toen liep hij door.

Tot slot kwam ook Jezus langs. Hij ging naar de put en toen Hij zag wat er aan de hand was, vroeg Hij: “vriend vertrouw je erop dat ik je kan helpen?” De man overdacht zijn situatie en zag in dat hij echt hulp nodig had. Hij antwoordde Jezus dat hij Hem volledig vertrouwde. Jezus bedacht zich geen moment en liet zichzelf ook de put inglijden. Hij vroeg hem in het vervolg uit te kijken voor diepe putten en nodigde de man uit om op zijn schouders te gaan staan. Zodoende kon de man de put weer uitkomen.

De vraag is nu: wie heeft die man het beste geholpen? Voor de hand liggend vind je niet?

Zo is het ook soms met vriendschappen. Waarschijnlijk ken je de uitdrukking: in nood leert men zijn vrienden kennen. Soms vertrouw je iemand zoveel dat je hem/haar een vriend durft te noemen. Fijn is het dan als je merkt dat je zelf vriend kunt zijn door dik en door dun, of vrienden voor het leven.

Ook Job dacht zulke vrienden te hebben. Zijn vrienden gingen héél ver met hem mee. Toen Satan Job bijna alles had afgenomen (kinderen, dieren en gezondheid), vonden zijn “vrienden” het genoeg. Ze zeiden dat hij iets gedaan moest hebben waardoor hem dit overkwam en verlieten hem. Het was een straf voor gepleegde zonden, daar waren ze van overtuigd. Hiermee veroordeelden ze Job en zette ze een punt achter hun vriendschap!

Van Abraham is bekend dat hij een “vriend van God” werd genoemd. Hij kon God zelfs beïnvloeden (denk maar aan het aantal gelovigen in Sodom en Gomorra). Van Henoch wordt vermeld dat hij wandelde met God, als twee vrienden die samen allerlei zaken bespreken.

Jezus heeft ons een verhaal verteld waarin vrienden voorkomen. Het verhaal van de verloren zoon, ofwel het verhaal van de wachtende Vader. De jongen had vrienden, zolang hij geld had. Toen zijn geld echter op was, waren ook zijn zogenaamde vrienden verdwenen. En bij de zwijnen was er helemaal niemand meer die zich om hem bekommerde. Pas toen dacht hij aan zijn vriendelijke vader, hoe goed hij het daar had en hoe goed hij het daar weer zou kunnen hebben (in nood leert men zijn vrienden kennen).



Jezus had twaalf vrienden om zich heen, de twaalf apostelen, maar hij had daarnaast nog zeker één andere vriend, nl. Lazarus. Dat dit een echte vriend was blijkt wel uit het volgende gedeelte.





Johannes11 : 1 - 45 Lazarus uit de dood opgewekt

1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden 2 – dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3 De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4 Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5 Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus. 6 Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was. 7 Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8 ‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’ 9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10 maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11 Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’ 12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13 Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14 Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15 en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16 Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’

17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18 Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22 Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’ 23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24 ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26 en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27 ‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’

28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ 29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. 31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.

32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen 34 vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35 Jezus begon ook te huilen, 36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’ 37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38 Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. 42 U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’ 43 Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44 De dode kwam te voorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’

45 Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in hem.



Is dat niet het ware kenmerk van een vriend: iemand die met je lacht en met je huilt (Toon Hermans). Iemand die zo met jou meeleeft, die zo om jou geeft, dat hij zelfs in barre tijden bij je blijft en zelfs met je durft te huilen als jij echt verdriet hebt.



• Heb jij kennissen? Hoe ga je met hen om? Ken je ze ook echt?

• Heb jij vrienden? Hoe ga je met hen om? Ken je ze ook echt?

• Wat vind je het verschil tussen een kennis en een vriend?

• Durf jij ook met jouw vrienden te lachen en te huilen?

• Denk je dat jouw vrienden ook zo met jou omgaan?

• Vind je dat we binnen de kerk meer als kennissen of als vrienden met elkaar om moeten gaan?

• Jezus heeft veel mensen echt lief gehad en ze als Zijn vrienden gezien. Durf jij Jezus als je vriend te beschouwen? Waarom wel of waarom niet?