Een ridder te paard rijdt op zijn paard, kataklop kataklop, door het bos bij zijn kasteel. Als hij even halt houdt om van het uitzicht te genieten hoort hij heel zachtjes 'Help', 'Help'.
Koen en dapper als hij is in het zicht van zijn kasteel gaat hij, kataklop kataklop, op onderzoek uit. Op slot vindt hij een fee die vast zit in een spinnenweb. Met de punt van zijn lans bevrijdt hij haar.
Ze is zo blij dat zij bevrijd is dat hij 2 wensen mag doen. 'Ik wil onoverwinnelijk zijn!' is zijn eerste wens. 'Goed is al voor elkaar, nu je tweede wens' zegt zij. 'Ik wil er eentje hebben zo groot als mijn paard. 'Goed voor elkaar, en nog bedankt hé' en weg is ze.
Zich toch wel afvragend of zijn wensen wel in vervulling gegaan zijn gaat hij, kataklop kataklop, terug naar zijn kasteel. Daar staat voor de poort Sjoerd, zijn trouwe lansknecht op wacht. 'Sjoerd' zegt hij terwijl hij zijn helm afzet 'hak mijn hoofd eraf'. Daar schrikt Sjoerd wel een beetje van. 'Moet dat nou baas, je moet nog een tijdje mee, en dan heb ik geen werk meer'. 'Maak je geen zorgen, ik heb een fee gered en mocht 2 wensen doen. Ik ben onoverwinnelijk' is de reactie van de ridder. Sjoerd denkt er het zijne van, pakt zijn zwaard en hakt het hoofd van de ridder er af. Tot zijn verbazing pakt de ridder zijn hoofd van de grond en zet het weer op zijn romp, 'Zie je nou wel' zegt hij, 'onoverwinnelijk'.
'Als jij me nu even helpt met m'n harnas, dan kunnen we zien of m'n tweede wens in vervulling is gegaan. Als Sjoerd halverwege is met het harnas vraagt hij aan de ridder 'Wat heb je dan gewenst baas'. 'Eentje zo groot als m'n paard' zegt de ridder. Waarop Sjoerd weer zegt 'Heb je er wel aan gedacht dat je op een merrie zat!'

